Geschiedenis

Alles begon vanwege de mineraalwaterbronnen, die in het Val Sinestra ontspringen. De helende kracht van het „aua forta“, het „sterke water“, was bij de lokale bevolking al heel lang bekend. Het bleek te helpen bij o.a. nerveuze ziektes, bloedarmoede, huidziektes en rheuma. Toen de badcultuur een belangrijkere plaats in het Unterengadin begon in te nemen, nam ook de belangstelling voor Val Sinestra toe. Het water werd wetenschappelijk geanalyseerd en er kwamen initiatieven tot onderzoek en verbetering van de toegankelijkheid. In het begin van de 19e eeuw was er slechts een klein badhuisje, waar met primitieve middelen het mineraalwater gevat en in een houten kuip geleid werd, waarin het door voorverwarmde stenen op temperatuur gebracht werd. De badgasten (vooral de plaatselijke bevolking) gingen via Vnà naar het bronnengebied, want vanuit Sent waren deze erg moeilijk te bereiken.   In 1898 sloot het gezelschap Töndury, Pinösch & Co. in Vulpera een verdrag met de Gemeente Sent af. De eerste plannen gingen uit van de bouw op een weideterras bij Tschern bij de uitgang van het dal. De nodige grond werd aangekocht en ingenieur Scherrer kreeg opdracht een studie te verrichten voor een leiding van het mineraalwater naar deze plaats. Dit bleek echter zowel technisch als financieel niet haalbaar. Men besloot tot de bouw in de kloof nabij de bronnen. Op 3 Juli 1904 werd het eerste Kurhaus (Berghaus) geopend. Daarnaast werd het  medicinale water in flessen afgevuld en in alle windrichtingen verkocht. De resultaten waren zo gunstig (zowel medisch als qua bezetting) dat men al spoedig besloot een groter hotel met 120 bedden te bouwen, volgens een plan van architect Karl Koller uit St. Moritz. Hij bouwde het hotel in een rationele stijl, waarbij de aandacht zo min mogelijk wordt afgeleid door allerlei tierelantijnen en de ruimte en de omgeving zelf centraal staan. De enige concessies waren de “Senter Giebel” aan de zuidzijde van de gevel en wat sgraffito op de badetage. Een waar technisch kunststuk was het plaatsen van de nodige bouwsteigers in en bij de vooruitstekende rotsen. Daarvoor werd een beroep gedaan op een zeer fameuze bruggenbouwer; bouwmeester Richard Coray uit Trin. Men moet ook niet vergeten dat veel materiaal, zoals hout en stenen, uit de directe omgeving kwam, en het overige met paard en wagen aangevoerd moest worden. De bouw van het grote hotel duurde dan ook 3 harde jaren. In 1912 werd het nieuwe Kurhaus geopend, maar na 1914 begon reeds de langzame ondergang. Er kwam een nieuwe wet, die de verkoop van medicinaal water slechts nog via apotheken toestond, wat een harde financiële slag betekende. De eerste wereldoorlog sneed het Kurhaus van de wereld af, waar de meeste hooggeplaatste gasten vandaan moesten komen. Ook na 1918 heeft zich dit niet meer mogen herstellen, ondanks de veelgeprezen kracht van het „sterke“ water. Op de crisis van de jaren 30 volgde de 2e wereldoorlog, daarna kwamen er modernere, snellere medicamenten op de markt. Het kuurbedrijf bleek zich niet te lonen. In 1951 waagde de „Familienausgleichskasse des Spenglermeisterverbandes“ nog een poging door het Kurhaus over te nemen en moderniseringen toe te passen. Met name Dr. Albert Nadig (1873 – 1956) heeft zijn stempel op het Kurhaus Val Sinestra gedrukt; hij heeft er de laatste 40 jaar van zijn leven met veel toewijding als Kurarts gewerkt. In de zwart/wit promotiefilm uit 1955 ziet u beelden van de dagelijkse gang van zaken, zowel van de gasten als het personeel, en ook hoe Dr. Nadig zijn patienten ontving en het medisch personeel dezen behandelde. De onderhoudskosten van het gigantische pand, de bronnen en de omgeving, die steeds weer door natuurgeweld beschadigd werden, waren echter enorm en de geringe inkomsten van het zomerbedrijf wogen daar niet tegen op. Zo kwam het dat het Kurhaus uiteindelijk in 1972 failliet verklaard werd. Val Sinestra is sinds 1978 een een uniek vakantieoord met een Nederlandse leiding en met een internationale klantenkring.